Nieuwsbrief nummer 1 Promotiekamer, Jaargang 2016
Alstublieft !

Hierbij de eerste nieuwsbrief van de Promotiekamer. Deze nieuwsbrief is geboren uit de behoeften van promovendi, sponsoren, vrienden en sympathisanten van de Promotiekamer om betrokken te zijn bij haar activiteiten. Daardoor raken tal van groepen op de hoogte van de activiteiten van de Promotiekamer en wordt ook het isolement van menig promovendi doorbroken.

De Promotiekamer kan met voldoening terugkijken op een bijzonder jaar. In 2015 vierde de Promotiekamer haar tweede lustrum. Tien jaar Promotiekamer, tien gepromoveerden; en met ingang van 1 januari 2016 actief met ca twintig promovendi in Nederland, zes in Suriname, vier op Cuaracao, één in Oman.

Promoveren is een traject dat in ervaring verschilt per persoon. En ook in wat het uiteindelijk oplevert. In de nieuwsbrieven zullen we daarom stilstaan bij de ervaringen van (oud)promovendi en die belichten in de rubrieken ‘Het leven na de promotie’ (in deze nieuwsbrief door Artwell Cain) en ‘Het leven tijdens het promotietraject’ (door Diana Confurius).  

Inspelend op de behoefte van promovendi en alumni aan informele bijeenkomsten waar zij hun kennis, deskundigheid en ervaring wisselen, organiseerde de Promotiekamer op 25 september dit jaar een eerste 'salon'. Een terugblik op deze bijeenkomst is geschreven door Artie Ramsodit. De volgende bijeenkomst zal plaatsvinden op zondag 13 maart 2016. Noteer deze dag maar vast in je agenda.

Dit jaar is Gurcan Celik (in 2008 gepromoveerd via de promotiekamer ) benoemd tot lector aan de hogeschool InHolland. Een interview met hem kan in deze nieuwsbrief daarom niet ontbreken.

Een belangrijk onderdeel van de nieuwsbrief is het rubriek ‘Boekbespreking’. In deze rubriek schrijft een promovendi een bespreking van een boek . De boekbespreking in deze nieuwsbrief gaat over Transnational Migration (2013) en is geschreven door Sabrina Dinmohamed.

Vanwege de Stichting Diaspora Leerstoel Lalla Rookh is Ruben Gowricharn benoemd tot bijzonder hoogleraar Hindostaanse Diasporastudies. Hij zal zijn inaugurele rede uitspreken op vrijdag 26 februari 2016. Voor degenen die hierbij aanwezig willen zijn, is meer informatie verderop in de nieuwsbrief te vinden.

2015 was ook een bewogen jaar voor Nederland en de rest van Europa. Vluchtelingen die hun toevlucht zoeken in deze contreien houden media, publiek en politiek bezig. De discussie over de opvang zijn in volle gang evenals de vraag wie een “echte” vluchteling is. Echte vluchtelingen beschikken toch niet over een mobiele telefoon? In de column van deze nieuwsbrief een bijdrage van Ruben Gowricharn en zijn kijk hierop. Ik wens jullie veel leesplezier.

-- Jaswina Bihari-Elahi
De nieuwe vluchteling
Europa werd de afgelopen maanden beheerst door het vluchtelingenvraagstuk. Syriërs waren het boegbeeld, maar daarvoor zwol het aantal vluchtelingen aan uit zwart Afrika. De meeste redenen om het eigen land te ontvluchten waren te vinden in de ontwrichting van de samenlevingen door oorlog en geweld, die vaak gestimuleerd waren door Europa en de VS. In de Nederlandse media  werd deze vluchtelingenstroom gekenmerkt door twee beelden: de wanhopige pogingen om de middellandse zee over te steken en de mars van vooral Syrische vluchtelingen naar Europa.
​
​ 

Historisch omvatten de grote demografische verschuivingen de slavenhandel, de ronseling van Chinese en Indiase contractarbeiders, en de migratie van Europeanen naar de VS. Na de tweede wereldoorlog zijn eveneens, maar minder grote, migraties op gang gekomen zoals die uit de koloniën naar de moederlanden, van gastarbeiders en van politieke vluchtelingen. Maar er is een groot verschil tussen de huidige migratie van Syriers met de voorgaande migraties. Rond negentienhonderd bijvoorbeeld duurde het ongeveer een half jaar voordat een Siciliaanse emigrant in de VS antwoord ontving op een brief. Nu is met moderne communicatie mogelijkheden een permanent contact met diverse centra (mensen thuis, vrienden, vluchtelingengroepen, vluchtelingenorganisaties, andere hulporganisaties) mogelijk.

Dat verschil is te zien aan het gebruik van de mobiele telefoons. Op de televisie was het afgelopen jaar vaker te horen dat de Syrische vluchtelingen in contact stonden met het thuisfront, dat groepen vluchtelingen elkaar informeerden over barrières opgeworpen door Europese landen en  over alternatieve routes, en dat ouders met telefoons hun zoek geraakte kinderen en verwanten probeerden te vinden. Deze drukke communicatie was ook te zien tijdens het verzet van de bevolking tegen de regimes in Egypte, Libië, Algerije en nu ook in Syrië. Mobilisatie en sturing van massa’s via moderne communicatiemiddelen (ICT) is een nieuw verschijnsel. De Syrische vluchtelingen konden hun route overzien, namen geen genoegen met gesloten grenzen en plaatsten Europa met hun aanwezigheid voor een voldongen feit. Opvallend was ook dat het jonge gezinnen waren, met kleine kinderen, die dapper en zelfbewust marcheerden naar veilige oorden.

Voor de meeste migranten is de ICT ontstaan nadat ze gevestigd waren in het nieuwe land. Dat is nu anders. Hedendaagse vluchtelingen kunnen met de nieuwe communicatiemogelijkheden, ondanks het chaotisch verloop, al tijdens de migratie de betrekkingen met thuis onderhouden. De vluchteling van nu is veel zelfstandiger, heeft veel meer handelingsvrijheid en is zelfbewuster dan zijn lotgenoten van enkele decennia geleden. Hij is een actieve tegenspeler geworden. Daar moet Europa aan wennen. En dat valt niet mee !

-- Ruben Gowricharn
​
Het leven na de promotie
Promotie, en dan wat?

Twee weken geleden vroeg een vriend - een witte Nederlander  aan mij: ‘heeft je promotie je gebracht wat je verwacht had?’ Ik vond het toen een lastige vraag.  Het was niet de eerste keer dat de vraag gesteld werd. Mijn antwoord bestond uit twee delen. Enerzijds vertelde ik over de immateriële kant van gepromoveerd zijn en anderzijds over de materiële verworvenheden. Over de immateriële kant kan ik het volgende zeggen: voordat ik aan het promotie traject begon dacht ik veel te weten . Tijdens het promotieproces heb ik veel geleerd, maar ontwikkelde het gevoel zich dat ik nog steeds veel te leren heb. Nu ik ruim acht jaar klaar ben en verder ben gegaan met kennisproductie, heb ik het gevoel dat ik langzaam vooruit ga. Ik heb een eigen stevige mening en kan deze staven met veel wetenschappelijke en maatschappelijke gegevens, met alle daagse gebeurtenissen en logisch denken. Op dit terrein heeft de promotie een meerwaarde gehad. Ik denk meer gestructureerd, heb academische vaardigheden en intellectuele status.

​
​ 

Aan de materiële kant is alles anders gelopen dan gehoopt. De verwachte opwaartse sociale mobiliteit heeft op zich laten wachten. Ik kreeg geen baan als docent of onderzoeker in het Nederlandse onderwijssysteem. Ruim een jaar na mijn promotie werd ik directeur van het Nationaal Instituut van het Nederlands slavernijverleden (NiNsee). Ik was daar als een vis in het zowel zoute als zoete water. Na de verkiezingen van 2010 hebben wij een centrum rechtse regering gekregen (VVD en CDA gedoogd door PVV). Deze constructie heeft politiek vandalisme op NiNsee mogelijk gemaakt. Het hele instituut werd ontmanteld. Ik werd in 2012 weer ZZPer. Ik doe onderzoek, advieswerkzaamheden, lezingen, conferenties, enz. en ben dus afhankelijk van de markt. Vaak denk ik dat zoiets slechts mogelijk is in Nederland. Ik heb de doctors titel, toereikend sociaal kapitaal, veel werkervaring en kennis van zaken, maar ben niet van het toonaangevend ras en heb ook niet de juiste 'huidskleur' voor Nederland anno 2015.



 
-- Artwell Cain




 
​
Salon: etnisch profileren
-- een terugblik --                  
De eerste salon had als thema 'Etnisch profileren'. Gastspreker was dr. Sinan Çankaya. Hij is gepromoveerd via de Promotiekamer en momenteel als postdoc verbonden aan Vrije Universiteit Amsterdam. Hij richt zich op thema’s als governance, policing, de multiculturele samenleving, racisme en in- en uitsluiting ( zie ook http://www.sinancankaya.nl)

Bijgaand een impressie van de eerste salon.

​
​ 

De term etnisch profileren verwijst naar het disproportioneel vaak staande houden van burgers op grond van hun zichtbare etnische achtergrond zonder dat daar een redelijke rechtvaardiging voor bestaat. Volgens Sinan Çankaya is proactief politiewerk is een vorm van ruimtelijk uitsluiten. De politiecontroles hebben een strafrechtelijk en preventief doel, maar een onvoorzien neveneffect van proactief politiewerk is dat bepaalde gebieden in de stad relatief ontoegankelijk worden voor niet residentiële burgers. Ook plaats hij vraagtekens bij de preventieve werking van aanhoudingen. Controles resulteren in slechts 6 tot 10 procent van de gevallen tot aanhouding. Tevens wees hij erop dat politiecontroles vaak de katalysator zijn bij rellen zoals in Brinxton (1981) en de Schilderswijk (juni 2015 ).

Vanuit een beslissingsmodel met de elementen persoon, voertuig, gedrag, tijd en locatie, heeft Sinan Çankaya het handelen van de politie onderzocht. Het ging daarbij specifiek om de taxatie van de situatie bij politiecontrole. In zijn bijdrage betoogt Sinan Çankaya dat proactief politiewerk op dit moment niet gericht is op het bestrijden van criminaliteit maar op het cultureel reguleren, monitoren en disciplineren van (etnische) minderheden. In witte wijken zoals Amsterdam-Zuid worden allochtonen vaker gecontroleerd, ze vallen daar op en hebben in het perspectief van de politie daar niets te zoeken.

Tijdens de discussie kwam een aantal dilemma’s aan de orde zoals de effectiviteit van het preventief politiewerk. Ook de taxatie van situaties en de bredere sociale context waarbinnen de politie functioneert, kwamen daarbij aan de orde.

Reacties van aanwezigen waren onder meer:
“Verhelderend en boeiend, volgende keer ben ik er weer bij” (Vriend van de Promotiekamer).

“Prettig deze vorm; het informeel samenzijn vooraf, de inhoudelijke bijdrage en elkaar ontmoeten daarna” (alumnus Promotiekamer).

“Ik ben aan het denken gezet over mijn eigen waarneming en het optreden van de politie” (professional uit het politiekorps).

“Nu weet ik waarom ik aan het promoveren ben en waar ik naartoe werk” (promovendus Promotiekamer).
Verder lezen?

Çankaya, S. (2015) ‘De ruimtelijke regulering van risicovolle burgers tijdens proactief politiewerk’. In: Diversiteit & Discriminatie Davidovic, M. & A.Terlouw (eds), Amsterdam: Amsterdam University Press, pp. 103-12.

Ook politiek is er commotie over etnisch profileren. In 2014 heeft minister Opstelten middels een Kamerbrief gereageerd op het rapport ‘Etnisch profileren in Den Haag’ van de Universiteit Leiden (2014).

Om inzicht te krijgen in dit vraagstuk is het artikel 'Etnisch profileren in Nederland; wat weten we nu echt?' door Van der Leun & Van der Woude relevant. Dit artikel is eind 2014 verschenen in het Tijdschrift voor de Politie (76, 7/14, 23-28 Zie: klik hier voor deze Kamerbrief.


​

Het leven tijdens de promotie

 
-- Diana Confurius
Een unieke periode

Mij werd gevraagd hoe ik mijn promotietraject als buitenpromovenda ervaar. Om hierop antwoord te kunnen geven moet ik teruggaan naar het begin van mijn traject.

Waarom heb ik overwogen om dit pad te bewandelen? Het antwoord is om mijn ‘waarde’ op de arbeidsmarkt te vergroten. Na een baanonderbreking, door een verblijf met mijn man in het buitenland en de komst van drie kinderen in 4,5 jaar, was ik midden in de recente economische crisis minder aantrekkelijk voor werkgevers. Het was toen tijd om na te denken over wat ik wilde gaan doen.

​
​ 

Cijfers zijn een passie van mij. Mijn expertise in bedrijfsstatistieken wilde ik graag aanvullen met kennis van sociale vraagstukken. Ik ben geboren en getogen in Gambia en heb ook gewoond in andere Afrikaanse landen en in Frankrijk. Het is dus niet verrassend dat ik me ben gaan verdiepen in de arbeidsmarktpositie van sub-Sahara Afrikanen in Nederland. De kwantatieve aarde van het onderzoek sluit aan bij mijn achtergrond als landbouwingenieur. De resultaten kunnen bovendien een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van beleid om hun arbeidsmarktpositie te verbeteren.

3,5 jaar verder kan ik zeggen dat deze professionele uitdaging als buitenpromovenda rust in mijn gezinsleven heeft gebracht. De opvang van kinderen is geen issue meer. En mijn echtgenote, die een drukke baan heeft en vaak naar het buitenland moet, kan zich volledig op zijn carrière richten. Maar het is niet allemaal rozengeur en maneschijn, want als buitenpromovenda ben je kwetsbaar. Niet alleen is het gezin er financieel op achteruit gegaan, maar vooral de eenzaamheid van het buitenpromoveren hoort bij de dieptepunten. De maandelijkse besprekingen met de promotoren geven zeker richting, maar toch blijft het moeilijk wanneer ik koers verlies en niet meer weet welke kant ik op moet. Tijdens schoolvakanties bijvoorbeeld kan ik nauwelijks tijd aan mijn onderzoek besteden. Het kost veel energie om mijn onderzoek weer op te pakken en de lijn terug te vinden. Op dit soort momenten denk ik aan mijn vader. Toen ik op 17-jarige leeftijd naar Frankrijk ging om te studeren, zei hij: “wanneer je in een dieptepunt zit is het onbelangrijk waar je naartoe moet. Het beginpunt van alles wat jij onderneemt is jouw kompas. Het zal je altijd de weg wijzen naar de volgende stap”.

Op de vraag hoe ik dit promotietraject ervaar: als een unieke periode om kritisch naar mezelf te kijken. Door de pieken en dalen van het traject leer ik wie ik ben. Ik ken mijn eindbestemming: eigen baas zijn en als zzp’er in de functie van data scientist blijven puzzelen met cijfers.


​
Interview : Gürkan Çelik 
Gürkan Çelik is in september 2014 benoemd als lector Crosscultureel Ondernemerschap binnen de onderzoeksgroep Business Research Centre (BRC) van het domein Business, Finance & Law (BFL) aan de Hogeschool InHolland. Op 28 september 2015 sprak dr. Gürkan Çelik zijn lectorale rede uit. De nieuwe onderzoekslijn Cross-cultureel Ondernemerschap gaat praktijkgericht onderzoek doen wat moet leiden tot kennis in het vakdomein, circulatie van kennis (valorisatie), professionalisering van medewerkers en onderwijsvernieuwing. Streven is de beroepspraktijk en het onderwijs te verbeteren en de kennis over cross-cultureel ondernemerschap te vergroten. Gürkan Çelik promoveerde in 2008 via de Promotiekamer. In dit interview gaan we in de weg die hij heeft afgelegd en zijn visie op het lectoraatschap en de taak die hij heeft te verrichten als lector.


​
​ 

Welke opleidingen heeft u gevolgd?
Ik studeerde Beleids- en Organisatiewetenschappen, met als specialisme Management en Organisatie van Ondernemingen, aan de Universiteit van Tilburg en promoveerde in 2008 aan dezelfde universiteit.

Wat heeft u gedaan na uw promotie? 
Na mijn promotie heb ik me vooral gericht op disciplines, zoals leiderschap, ondernemerschap en maatschappelijke organisaties. Ik ben doorgegaan  met publiceren. Ze zeggen niet voor niets; wie schrijft die blijft. De belangrijkste bijdrage van het publiceren is dat je je blijft ontwikkelen in het schrijven van academische stukken en dat voegt ook toe aan mijn intellectuele ontwikkeling. Daarmee heb ik tegelijk mijn eigen netwerken in de academia opgebouwd. Dit vind ik essentieel omdat ik de wetenschap buiten de universitaire kringen heb beoefent. 
 
Heeft uw huidige werk iets met uw voorgaande opleidingen te maken?
De corebusiness van mijn huidige werk is het doen en begeleiden van onderzoek, aangevuld met onderwijsactiviteiten. Vanuit verschillende NGO’s wordt veel beroep gedaan om academische activiteiten te organiseren en daaraan  inhoudelijke bijdragen te leveren. Jonge academici vragen hulp en ik heb met enkele academici een nieuwe stichting Nederland Academia in het leven groepen. Daarin krijgen jonge talenten de gelegenheid om zich (verder) te ontwikkelen in academische gremia.

Is het lectorschap iets wat u altijd heeft geambieerd? En waar richt uw lectoraat zich in het bijzonder op?
Enige ambitie is mij niet vreemd. Een lectoraat of een leerstoel heb ik altijd geambieerd. Vanuit het lectoraat richt ik me op crosscultureel ondernemerschap. Ik doe onderzoek naar de facetten van crosscultureel ondernemen en naar de verschillen in ondernemerschap. Voor alle ondernemers is het steeds interessanter om verschillen te zien en te benutten in het ondernemen en op de afzetmarkten. Ondernemers crossen steeds vaker markten. Je crost product of dienst, en je crost arbeid en je mengt daarmee verschillen in ondernemerschap. Crosscultureel ondernemen, is een bredere kijk op etnisch ondernemerschap, en het kan het verschil maken in ondernemerschap.

Wat is uw visie omtrent het lectoraat en wat zijn uw plannen?
Er liggen legio aan kansen voor ondernemers in Nederland om een doorbraak te realiseren in hun groei door crosscultureel te ondernemen. Ik constateer dat deze ondernemers veel kansen laten liggen. Ze kennen weinig crossovers! Deze ondernemers zoeken elkaar eerder op op etniciteit dan op type onderneming. De komende jaren wil ik in mijn onderzoek het accent leggen op de niet-westerse MKB-ondernemers en de wisselwerking met andere ondernemers in Nederland.

U heeft de taak om een onderzoekslijn crossculturele ondernemerschap op te zetten binnen de hogeschool. Wat zijn de zaken waar u tegenaan loopt bij deze taak?
Het lectoraat Crosscultureel Ondernemerschap maakt onderdeel uit van het Business Research Centre (BRC) van het domein Business, Finance & Law van de Hogeschool Inholland. Crosscultureel ondernemerschap is een van de speerpunten van Inholland en is ingebed de onderzoekslijn Innoveren en Ondernemen van het BRC. Het BRC is één van de onderzoeksgroepen van Inholland en stelt duurzaam organiseren met de menselijke maat centraal. Het BRC legt de focus op organisatieontwikkeling, ondernemerschap en duurzame innovatie.  Als lector voer ik samen met docenten, studenten en externe research fellows praktijkgericht onderzoek uit, in nauw samenwerking met het werkveld. Lectoraat Crosscultureel Ondernemerschap heeft inhoudelijk een verbinding met de financieel-economische opleidingen van Inholland, waaronder Business Studies. Het combineren van onderwijs en onderzoekstaken is een uitdaging aangezien het onderzoek zijn weg nog moet vinden in het hoger onderwijs. De focus ligt vooral op praktijkgericht onderzoek.

Hogescholen en onderzoek is iets wat voor de universitaire wereld nog steeds een vreemde combinatie is, want het HBO leidt op tot de beroepspraktijk. Wat is uw kijk hierop?
Het BRC heeft de ambitie een platform te zijn voor studenten, docenten en externe partners om te zorgen dat deze elkaar kunnen benutten en versterken. Voor het BRC – ook hogeschoolbreed – is de driehoek onderwijs – beroepenveld – onderzoek leidend. Onderzoek wordt geëntameerd vanuit de praktijk en staat ten dienste van innovaties en verbeteringen van dat beroepenveld. Er is dus sprake van een wederzijdse relatie en een wisselwerking met onderzoek en beroepenveld. Dat moet je als lector staande houden. Ook onderwijs en onderzoek vormen een mutuele relatie die elkaar beïnvloeden en versterken. Opbrengsten van onderzoek worden gebruikt in het onderwijs en studenten leveren op hun beurt in het kader van afstudeerrichtingen en/of afstudeeronderzoek bijdragen aan onderzoek van de onderzoeksgroepen. Vanzelfsprekend is ook onderwijs en beroepenveld – van wezenlijk belang. Onderwijs leidt immers mensen op voor en in het beroepenveld.

Wat maakt onderzoek in het HBO volgens u anders dan binnen de universiteit?
Praktijkgericht onderzoek is het grootste verschil. Op den duur gaat het verschil ook kleiner worden. Omdat ook steeds vaker de samenwerking gezocht wordt met universiteiten. Lectoraten, het onderzoek in het hbo, hebben een verleden van circa 15 jaar in het hoger onderwijs. Over 10 of 15 jaar zal naar mijn inzicht het verschil tussen hbo en universiteit nog kleiner worden. Het volgende proces is gaande. Er heerste te veel “publish-or-perish cultuur” in het wetenschappelijk onderzoek. Er was te weinig ruimte voor praktijkgericht, toegepast onderzoek, en er was gebrekkige vertaalslag van de resultaten van onderzoek naar de professionele praktijk. Lectoraten proberen dit gat te vullen in het wetenschappelijk onderzoek.

Veel HBO instellingen streven naar gepromoveerde docenten, en lectoraten hebben een belangrijke rol te vervullen in het opleiden van docenten naar docentpromovendi. Zo een promotietraject ziet er anders uit dan een regulier promotietraject op een universiteit. Op welke manier draagt zo'n traject bij, als het überhaupt zo is, tot het worden van een betere HBO docent?
Hogescholen streven ook steeds na om gepromoveerde docenten in dienst te hebben. Het is een vereiste geworden dat de lectoren gepromoveerd zijn. Dit is een kwaliteitsslag die hogescholen aan het maken zijn. Een promotietraject is een opleiding en heeft altijd een toegevoegde waarde aan de kwaliteit in het onderwijs en onderzoek in het hbo. Docenten begeleiden studenten in hun afstudeeronderzoeken en daarbij is meer inzicht van docenten nodig in onderzoek. Gepromoveerde docenten in het hbo zijn goud waard, vooral de combinatie met praktijkgericht onderzoek.

U bent via de Promotiekamer gepromoveerd. Denkt u dat die ervaring u beter heeft toegerust op de taak die u moet verrichten binnen de hogeschool?
Promotiekamer heeft de deuren van de academische wereld voor mij geopend. Via de normale weg was het voor mij onmogelijk om binnen te komen in de academische kringen. De Promotiekamer vervult een belangrijk doorbraakfunctie om talenten voor de academia te verzilveren. Dit heeft ook een enorme meerwaarde om bijdrage te leveren aan de maatschappelijke en intellectuele discussies. Het ontbreekt aan bijdragen van diverse groepen  in de samenleving binnen politieke en maatschappelijke debatten; doorgaans worden de discussies gevoerd over hen zonder hen. Promotiekamer brengt daar een verandering in en leidt talenten op in de wetenschap. 

Wilt u nog iets toevoegen aan het voorgaande?
Actief blijven in de dingen die je ambieert brengt je naar je bestemming waar je wil zijn. Je heb meesters en wegwijzer nodig in de realisatie van je ambities. Ik ben daarom prof.dr. Ruben Gowricharn bijzonder dankbaar voor het initiëren van de Promotiekamer en voor zijn begeleiding en steun in mijn ontwikkeling.


​
BOEKBESPREKING
Faist, T.,Fauser, M. & Reisenauer, E. (2013). Transnational migration. Cambridge: Polity Press, 209 pp, ISBN 978-0745649788.

In Transnational Migration beweren Faist, Fauser en Reisenauer een nieuw perspectief te bieden op hoe individuen met elkaar verbonden zijnover nationale grenzen. Dit verschijnsel wordt transnationalisme genoemd. De auteurs hebben drie doelen voor ogen. Zij willen een overzicht geven van transnationaliteit door te kijken naar activiteiten, de voordelen laten zien van hedendaagse migratie en een voorstel doen om transnationalisme te onderzoeken.

In hoofdstuk 2 en 3 bespreken de auteurs transnationale activiteiten . De activiteiten kunnen onderverdeeld worden in familiale, sociaal-culturele, economische en politieke praktijken. De activiteiten vinden plaats in transnationale sociale velden, die bestaan uit families, organisaties, persoonlijke netwerken en sociale netwerken. In de hoofdstukken 4, 5 en 6 bespreken de auteurs de connectie tussen transnationalisme en ontwikkeling, integratie en burgerschap. Hoofdstuk 4 bespreekt hoe migranten bijdragen aan ontwikkeling. Geldoverdrachten verminderen bijvoorbeeld de armoede in thuisland of worden gebruikt als investering in lokale ondernemingen. In hoofdstuk 5 wordt gekeken naar de relatie tussen transnationalisme en integratie. De auteurs stellen dat de relatie tussen integratie en transnationalisering niet eenduidig is en tot verschillende uitkomsten kan leiden . In hoofdstuk 6 wordt gekeken naar de wijze waarop transnationale banden burgerschap beïnvloeden. De reactie van staten op transnationalisering is de groeiende tolerantie van dubbele nationaliteiten.

​
​ 

In hoofdstuk 7 breken de auteurs een lans voor drie vormen van transnationaal onderzoek: multi-sited ethnography, mobile ethnography, extended case method en network methodology. Multi-sited ethnography (veldwerk op verschillende plaatsen en landen) wordt vooralsnog het meeste gebruikt door onderzoekers. In de het laatste hoofdstuk worden de verbanden tussen transnationalisme en de maatschappij besproken.

Dit boek heeft enkele zwakke en sterke punten. Een zwakte, die de auteurs overigens ook zelf noemen, is dat de voorbeelden vooral Zuid-Noord migratie betreffen. Dat roept de vraag op in hoeverre de uitspraken in dit boek generaliseerbaar zijn. Een tweede zzwakte is dat dit boek geen nieuwe inzichten biedt. Daarentegen is een sterke punt dat de auteurs op heldere wijze uitleggen wat de verbanden tussen de concepten zoals transnationalisering, transnationale sociale velden en transnationaliteit zijn en hoe transnationalisme zich bijvoorbeeld onderscheidt van de verschijnselen als globalisering en internationalisering. Verder heeft het boek een heldere structuur en toegankelijk taalgebruik. Transnational Migration is een goede introductie voor iedereen die meer wil weten over migratie en de wijze waarop transnationalisme onderzocht kan worden.

 
-- Sabrina Dinmohamed
​
Inauguratie als hoogleraar
Hindostaanse Diasporastudies
Belangstellenden zijn van harte welkom om de openbare zitting van het College van Decanen bij te wonen, waarin de heer dr. R.S. Gowricharn benoemd vanwege de Stichting Diaspora Leerstoel Lalla Rookh tot bijzonder hoogleraar Hindostaanse Diasporastudies, zijn ambt aanvaardt met het uitspreken van de rede:

 â€œGlocalisering in de Indiase Diaspora, over de bindende kracht van culturele markten”.

Datum : vrijdag 26 februari 2016
Tijd      : om 15.45 uur 
Plaats  : Aula van de VU, De Boelelaan 1105, Amsterdam.

Na afloop vindt de receptie plaats.
Mocht u deze nieuwsbrief onvoldoende weergegeven worden dan kunt u de verschillende artikelen terug lezen op onze website www.promotiekamer.nl

Copyright © 2016 De Promotiekamer, All rights reserved.